-proof


-proof 1.0

tweede lid in samenstellingen dat aangeeft dat iets of iemand bestand is tegen het in het eerste lid genoemde
Zowel in samenstellingen met een Nederlands woord in het eerste lid als in samenstellingen met een Engels woord in het eerste lid. Ook in woorden die in hun geheel uit het Engels geleend zijn. Het eerste lid in de samenstellingen is meestal een zelfstandig naamwoord, maar soms ook de stam van een werkwoord.

Woordfamilie


Als rechterlid in samenstellingen en samenkoppelingen


  • apk-proof
  • boefproof
  • bokitoproof
  • brexitproof
  • bulletproof
  • crisisproof
  • dinnerproof
  • DNB-proof
  • EU-proof
  • europroof
  • foolproof
  • hackerproof
  • hbo-proof
  • hitteproof
  • hufterproof
  • idiotproof
  • jongerenproof
  • kinderproof
  • kindproof
  • kissproof
  • konijnenproof
  • konijnproof
  • lekproof
  • millenniumproof
  • ouderenproof
  • papaproof
  • patiëntproof
  • recessieproof
  • scratchproof
  • shockproof
  • sloopproof
  • snoepproof
  • stofproof
  • tamperproof
  • UM-proof
  • vandaalproof
  • vandalismeproof
  • warmteproof
  • wasbeerproof
  • waterproof
  • wielbelproof
  • windproof
  • WKA-proof