aanblikken


aanblikken 1.0

(formeel)

( Gezegd van mensen en dieren of hun ogen, bij uitbreiding vaak ook van afbeeldingen van mensen, dieren en fantasiewezens)
de blik vestigen op; min of meer indringend aankijken; aanschouwen
Vaak in combinatie met een bijwoordelijk gebruikt bijvoeglijk naamwoord.

Semagram (extra betekenisinformatie)


Aanblikken…

is een handeling

      Algemene voorbeelden


      Bij elke stop blikte hij nog ingespannener door het raam en sprak, alsof zonder die rituele bezwering de trein nooit halt zou houden, de plaatsnaam uit. 'Straks zijn we in Drongen.' 'Halewijn,' zei de grootmoeder. 'Drongen, moe.' 'Halewijn, va. We zijn nog maar net Lauwe gepasseerd.' 'Drongen.' De grootvader trok zijn schouders op en ging weer op in het landschap. De grootmoeder blikte me aan en sprak zonder geluid te maken 'Halewijn', en knipoogde.

      Marcel, Erwin Mortier,

      Boven het stucwerk van de lambrisering blikten alle Van Callants me aan, rij op rij, in gulden lijsten, tot bijna tegen de zoldering.

      Sluitertijd, Erwin Mortier,

      Boven de schoorsteenmantel was een wat verkleurde plek te zien waar een portret had gehangen - in het verre verleden ongetwijfeld dat van keizer Frans Jozef. In 1919 zal de brave eigenaar het vervangen hebben door de beeltenis van Masaryk en in 1935 die van Benes; tijdens de nazi-dictatuur prijkte misschien de kop van een reebok aan deze wand. Na de communistische omwenteling zullen achtereenvolgens de presidenten Gottwald, Novotný en Svoboda de 148 gasten hebben aangeblikt. En nu niemand.

      Alles wat het geval is, Milo Anstadt,

      Combinatiemogelijkheden


      met object


      • de lezer aanblikken

      Op de 'cover' het kind Ed samen met zijn moeder. Een jongetje waarover hij als volwassene volmondig toegeeft dat het een verwend kind was, maar ook een jongetje dat de lezer aanblikt met een haast wantrouwende terughoudendheid.

      Het Financieele Dagblad,

      met bijwoord


      ( Met een bijwoordelijk gebruikt bijvoeglijk naamwoord)
      • bestraffend aanblikken
      • dreigend aanblikken
      • hulpeloos aanblikken
      • ijzig aanblikken
      • trouwhartig aanblikken
      • verstolen aanblikken
      • verwijtend aanblikken
      • zijdelings aanblikken

      Boven alles klonk de heldere en prachtige stem van de Oberschwester [...], die in de eetzaal en op de gangen, met een stok bewapend, streng de orde handhaafde, ons bestraffend aanblikte bij elk klein vergrijp.

      De Hunnen. Dl. 3: Vrede, Jan Cremer,

      Neemt u vooral even de moeite een blik te werpen op de achtergevel, waar een tweetal zeemonsters u dreigend aanblikken.

      http://www.amsterdamsebinnenstad.nl/binnenstad/196/artis1.html,

      Toen ik durfde opkijken, zag ik nog net hoe hij een zakdoek in zijn stofjas wegmoffelde. Zijn roodomrande ogen blikten de grootmoeder hulpeloos aan.

      Marcel, Erwin Mortier,

      De grootmoeder trok het tafellaken op en blikte me ijzig aan.

      Marcel, Erwin Mortier,

      Lange tijd bestond mijn enige gezelschap uit twee goudvissen, die vreedzaam maar doelloos rondzwommen in de glazen kom op mijn bureau, niet begiftigd met de menselijke vermogens maar al evenmin behept met hun gebreken. Uit de bolle, zwarte kraaloogjes waarmee ze mij trouwhartig aanblikten vanuit hun waterig verblijf trad mij geen intelligentie tegemoet, maar ook geen arglist, geen wantrouwen, geen haat, noch enige van de menselijke eigenschappen, die sinds jaar en dag een prominente rol spelen in het bedrijf van de menselijke komedie of tragedie.

      https://www.nederlands.nl/nedermap/verhalen/verhaal/134561.html,

      Echter... er kwamen O.S. en O.-Officieren, die mij bevreemd aanstaarden, beleefd groetten, correct films bestelden en mij af en toe verstolen zijdelings aanblikten.

      http://home.wanadoo.nl/nvom/nvom/Beste%20Vaer.htm,

      Soms [....] was het een gemartelde Ecce Homo of een bloederige Kruis Lieve Heer die ons vanachter een netwerk van stof en spinrag verwijtend aanblikte.

      De lange geboorte, Lut Ureel,

      met voorzetselgroep


      Voorzetsel: met

      • aanblikken met grote ogen
      • aanblikken met terughoudendheid

      Maar het is ook leuk om zo maar door de tuin te wandelen en de verschillende dieren te bekijken die je soms ook met grote ogen aanblikken. Je kunt dan met recht vragen: wie kijkt nu naar wie?

      https://www.vakantieparknederland.nl/uitstapje/kasteelpark-born/,

      Op de 'cover' het kind Ed samen met zijn moeder. Een jongetje waarover hij als volwassene volmondig toegeeft dat het een verwend kind was, maar ook een jongetje dat de lezer aanblikt met een haast wantrouwende terughoudendheid.

      Het Financieele Dagblad,

      Woordfamilie


      Als deel van een afleiding