bedtijd


bedtijd 1.0

tijdstip waarop men zich gewoonlijk te ruste begeeft; min of meer vaste tijd om te gaan slapen; tijd om naar bed te gaan

Semagram


Een bedtijd…

is een tijdstip

  • [Tijd] situeert zich doorgaans op een min of meer vast tijdstip in de avond of bij het begin van de nacht
  • [Eigenschap of hoedanigheid algemeen] gaat gepaard met het zich te ruste begeven

    Hoofdsemagram: tijd


    Algemene voorbeelden


    Tegen elf uur, doorgaans bedtijd voor studenten, kregen verschillende deelnemers het even moeilijk.

    Meppeler Courant,

    Combinatiemogelijkheden


    met koppelwerkwoord


    • het is bedtijd
    • het was bedtijd

    Kleine onaangenaamheden werken meer dan normaal op de zenuwen. Bijvoorbeeld het feit dat je naar teevee zit te kijken, een spannende film of zo, en om negen uur is het bedtijd en gaat ie uit, om het even waarnaar je zit te kijken.

    Verzameld proza, Jotie T'Hooft,

    Het is al laat, zegt ze, bedtijd. Ze rolt met haar ogen. Welterusten.

    Het tijgerspoor, Julia Leigh,

    Ik had de krant doorgebladerd, een beetje tv gekeken, de verwarming alvast lager gezet en Rekel uitgelaten. Nu was het bedtijd. Ik stond al in de slaapkamer.

    De man op de Middenweg, Koos van Zomeren,

    Woordfamilie


    Als rechterlid in samenstellingen en samenkoppelingen