eetgerei


eetgerei 1.0

set van voorwerpen die nodig is om te kunnen eten; gezamenlijke benodigdheden voor het nuttigen van de maaltijd

Semagram


Eetgerei…

is gerei; is een set

  • [Leden] bestaat uit bestek en vaatwerk; bestaat uit vorken, lepels en messen; bestaat uit borden, schotels en schalen
  • [Doel of bestemming] dient om er mee en van te kunnen eten

    Hoofdsemagram: gerei


    Algemene voorbeelden


    Moeder loopt met de stofdoek rond en schikt het eetgerei in de kast. De kopjes en de borden blinken zoals voordien.

    De handschoen, Michel Dedain,

    Indertijd kende ik een charmante familie die er een eer in stelde, al haar eetgerei uit hotels bij elkaar te roven. De maaltijd lag op een bord van Américain, je sneedt met een Hiltonmes, je prikte met een Beau Rivagevork, je servet was van De Nederlanden, het koffiekopje uit Hotel Sofia en het lepeltje weer van de KLM.

    NRC,

    Winkels in 'tafelcultuur' hebben behalve eetgerei ook damasten servetten en kleden in huis, iets waarvoor je tot voor kort de adressen moest wéten.

    NRC,

    Combinatiemogelijkheden


    als object bij een werkwoord


    • eetgerei afruimen

    Marc ruimt de borden en potten en eetgerei af, laat twee glazen en de fles staan.

    Liliane, of De spiegelingen van leugen en liefde, Clem Schouwenaars,

    • eetgerei afwassen

    De Corvee-coördinator zorgt ervoor dat iedereen zijn eigen eetgerei afwast en dat de deelnemers helpen de boel schoon te houden tijdens het kamp.

    http://www.jnm.nl/

    • eetgerei neerleggen

    De minister moet zijn neus snuiten. Vele mensen leggen hun eetgerei even neer. Ze vinden het dwaas om te eten terwijl de minister helemaal omgedraaid op zijn stoel voorzichtig zijn neus snuit.

    De steen der wijzen, J.M.A. Biesheuvel,

    • eetgerei op tafel zetten

    Ze zette haar eetgerei op tafel, schoof een stoel bij en nam plaats.

    Het damesorkest en andere stadsverhalen, Herman Pieter de Boer,

    met adjectief ervoor


    • het enige eetgerei

    Het frietvorkje is het enige eetgerei dat het frietkot kent.

    http://www.fritkotmax.be/wf00021.htm

    • ouderwets eetgerei

    Het huis is eerder een folkloristische uitstalkast dan een museum; de drie kleine kamertjes zijn volgestouwd met ouderwets eetgerei en gereedschap.

    NRC,

    met adjectivisch tegenwoordig deelwoord


    • blinkend eetgerei

    Dan wachtten haar de afgrijselijke uren na het souper wanneer zij klaar was met de avondvaat en zij na een laatste keurende blik over de blinkende tegels, het blinkend eetgerei, de zwartgestifte blinkende fornuizen, langs de schaarsverlichte diensttrap [...], naar de hoogste verdieping opklom, naar haar kamer helemaal in het dak.

    Het blauwe meisje en de andere kleuren van de verschrikking, Greta Seghers,

    met voorzetselgroep


    Voorzetsel: in

    • het eetgerei in de hand

    Op de acht smalle trappen drommen 220 asielzoekers samen, allemaal met het eetgerei in de hand.

    NRC,

    Voorzetsel: van

    • het eetgerei van het ontbijt

    Het eetgerei van het ontbijt schittert [...] in een schuine zonnestraal.

    Emily Beyns, of Het heilig zwijgen. Dl. 1: Verwanten, Clem Schouwenaars,

    • het eetgerei van het restaurant

    Achter de ramen glinsterden de luchters en het eetgerei van het restaurant.

    Slaap!, Annelies Verbeke,

    in voorzetselgroep


    • het delen van eetgerei

    Tot dusver was altijd gedacht dat intact mondslijmvlies ondoordringbaar was voor het aidsvirus en verwante virussen, en dat orale seks bijgevolg weinig risico inhield, tenzij er kwetsuren in de mond waren. Als de conclusies van het apenonderzoek overdraagbaar zijn naar de mens, moet dat standpunt worden herzien. Dit betekent niet dat vluchtige contacten, zoals kussen of het delen van eetgerei, een risico inhouden.

    De Standaard,

    • het gekletter van eetgerei
    • het rammelen van eetgerei
    • de geluiden van het eetgerei

    Ondertussen de geluiden van het eetgerei, vanuit de keuken.

    Gras, Clem Schouwenaars,

    We hoorden korte bevelen, gevolgd door het gekletter van eetgerei, het geplons van water.

    Een lichtgevoelige jongen, Walter van den Broeck,

    Bij onze binnenkomst hield zelfs het kauwen op, en het rammelen van eetgerei op borden, terwijl de gezichten in het blauwe licht zich de een na de ander naar ons toewendden.

    De dronken kanarie, Jan Gerhard Toonder,

    • de rest van het eetgerei

    Een 'alleen maar' dessertservies moet [...] wel passen bij de rest van het eetgerei. En dat was natuurlijk niet het geval. De lakeien-van-dienst reikten de gasten de eerdere gangen aan op traditioneel of historiserend, waarschijnlijk pompeus tafelzilver.

    NRC,

    met substantief ervoor


    • een hoeveelheid eetgerei

    Enkele emotieloze kelners ernaast wezen met een zekere opgewektheid of kwiekheid op de bijna onvoorstelbare hoeveelheid eetgerei.

    De biograaf, Willem Brakman,

    • stapels eetgerei

    Vaak moeten we ons langs de buitenkant van de lage reling voortbewegen omdat het onmogelijk is je een weg te banen tussen mensen, schildpadden, geiten, kippen, eenden, zakken houtskool en stapels eetgerei.

    De Standaard,

    met ander, nevengeschikt substantief


    • borden, potten en eetgerei

    Marc ruimt de borden en potten en eetgerei af, laat twee glazen en de fles staan.

    Liliane, of De spiegelingen van leugen en liefde, Clem Schouwenaars,

    • het soepterrien en het eetgerei

    Vader heeft het soepterrien en het eetgerei op het aanrecht gezet.

    Twee vorstinnen en een vorst, R.J. Peskens,