kaakje


kaakje 1.0

eenvoudig koekje zonder veel versiering

Semagram


Een kaakje…

is een lekkernij; is een zaak; is voedsel

  • [Uiterlijk] is eenvoudig van uiterlijk en meestal niet of nauwelijks versierd
  • [Vorm] is vaak vierkant of rechthoekig
  • [Functie] dient meestal als eenvoudige versnapering bij de thee

    Hoofdsemagram: koekje


    Algemene voorbeelden


    In "Welgelegen" woonden de Beumers, een gepensioneerde, ziekelijke procuratiehouder met zijn vrouw, waar hij wel eens binnenliep en dan een kop thee met een koekje kreeg, dat zij "kaakje" noemden.

    De aanslag, Harry Mulisch,

    De heren dronken nog een keer thee en aten er ditmaal een kaakje bij.

    De steen der wijzen, J.M.A. Biesheuvel,

    Combinatiemogelijkheden


    met adjectief ervoor


    • een droog kaakje

    Hij kreeg een kop slappe thee met een droog kaakje en Penny at haar taart op.

    Overspel, Mensje van Keulen,

    in voorzetselgroep


    • thee met kaakje

    Dan keek ze naar die valse afschriften [...] en [...] vroeg of ik nog thee met kaakje [...] wilde.

    Overspel, Mensje van Keulen,

    met substantief ervoor


    • een pak kaakjes

    Hij zit met een pak kaakjes aan de keukentafel en hoort zijn moeder de garage uit rijden, tot aan het begin van het garagepad.

    Het tijgerspoor, Julia Leigh,

    Woordfamilie


    Als rechterlid in samenstellingen en samenkoppelingen


    • boterkaakje
    • chocoladekaakje
    • koffiekaakje
    • letterkaakje
    • mariakaakje
    • opzetkaakje
    • suikerkaakje
    • theekaakje
    • vanillekaakje

    Als linkerlid in samenstellingen en samenkoppelingen


    • kaakjesblik
    • kaakjesdoos
    • kaakjespan
    • kaakjesrecept
    • kaakjestrommel
    • kaakjesverpakking