kaan


kaan 1.0

(verouderend. Het woord wordt bijna steeds in de verkleinvorm meervoud kaantjes gebruikt.)

stukje uitgebraden spek of vet; kaantje

Semagram


Een kaan…

is een stukje

      Hoofdsemagram: kaantje


      Algemene voorbeelden


      De kanen die op het hete vet dreven werden er met een schep afgehaald, op stukken pakpapier gestoten en met verweerde, grote vingers beetgepakt.

      De Hunnen. Dl. 2: Bevrijding, Jan Cremer,

      Combinatiemogelijkheden


      als object bij een werkwoord


      • kanen uitbraden

      Ik zou dat zootje van boven af nog wel eens op die dekken willen zien liggen. Ze lagen soms in van die lange onderbroeken, 's ochtends als het nog niet zo smoorheet was, te zonnen of te luchten [...]. En stinken dat ze deden. Als kakkerlakken. Het leek wel of al dat zweet en die lijfsappen op die gloeiende schuit tot de smerigst denkbare kanen werden uitgebraaien.

      De kus, Jan Wolkers,

      Woordfamilie


      Als deel van een afleiding


      • kaantje