kerstseizoen


kerstseizoen 1.0

jaarlijks terugkerende periode rond Kerstmis waarin grote bedrijvigheid heerst voor activiteiten die verband houden met toerisme; toeristische periode rond Kerstmis

Semagram


Een kerstseizoen…

is een seizoen; is een periode; is een tijd

  • [Functie] is bestemd voor activiteiten op het vlak van toerisme
  • [Frequentie] keert jaarlijks terug
  • [Tijd] vindt plaats rond Kerstmis

    Algemene voorbeelden


    In het kerstseizoen komen er zo'n 150.000 toeristen en gasten door het Witte Huis, die dit en de kerstbomen allemaal kunnen aanschouwen.

    NRC,

    kerstseizoen 2.0

    jaarlijks terugkerende periode rond Kerstmis als verkoopperiode voor kerstartikelen of kerstgeschenken; kerstperiode als verkoopperiode

    Semagram


    Een kerstseizoen…

    is een seizoen; is een periode; is een tijd

    • [Functie] is bestemd om te verkopen
    • [Frequentie] keert jaarlijks terug
    • [Tijd] situeert zich rond Kerstmis
    • [Object betroffen] heeft betrekking op kerstartikelen of kerstgeschenken

    Hoofdsemagram: seizoen


    Algemene voorbeelden


    Hij heeft al zeven van zijn bomen verkocht en vijf engelen met zilveren vleugels en gouden haar [...]. De kransen [...] zijn zo hard gegaan, dat valt gewoon niet meer bij te houden. De puntjes van Binders gesoigneerde snor trillen bijna van genoegen als hij praat over zijn geslaagde kerstseizoen. "De mensen begonnen half november al te kopen."

    De Standaard,

    Het vierde kwartaal is door de kerstuitgaven goed voor een derde van de totale jaarlijkse consumentenbestedingen via internet. Van de 12,5 miljard dollar die dit kwartaal wordt uitgegeven zal tien miljard zijn gekoppeld aan het kerstseizoen.

    De Standaard,

    Het huidige kerstseizoen moet de redding worden voor veel zogeheten etailers, winkels op internet.

    NRC,