knokkel


knokkel 1.0

knobbel van het gewricht dat de vingers met de rest van de hand verbindt en vooral zichtbaar wordt als uitstekend, wit gedeelte wanneer de vingers van de hand gebogen worden of een vuist gevormd wordt
Meestal in het meervoud.

Semagram


Een knokkel…

is een gewrichtsknobbel

  • [Geheel] maakt deel uit van de hand en in het bijzonder van het gewricht dat de vingers met de rest van de hand verbindt
  • [Aantal of hoeveelheid] is een van de vijf gewrichtsknobbels in de hand
  • [Eigenschap of hoedanigheid algemeen] steekt uit en wordt wit als de vuist gebald wordt of als de vingers gebogen worden

    Algemene voorbeelden


    Trouwens, als ik ooit zo iemand tegenkom kan hij een halve week de afdrukken van mijn knokkels in z'n bakkes koesteren.

    Uitgeverij Guggenheimer, Herman Brusselmans,

    Ik zag dat hij de knokkels van zijn rechterhand had geschaafd.

    Een lichtgevoelige jongen, Walter van den Broeck,

    Amar stond recht onder haar, hield de twee meter hoge trap met zijn grote handen, waar de knokkels als kastanjes uitkwamen, vast, grote handen, waarvan hij niet gewend was dat hij ze kon gebruiken, grote handen, die hij soms met elkaar vergeleek om te zien of ze nog wel bij elkaar hoorden.

    De langverwachte, Abdelkader Benali,

    Op het geribbeld bord boent ze de knokkels stuk op een reusachtige, roze directoire met elastiek in de pijpen, en af en toe blaast ze uit haar mooie, afgetobde mond een sliert haar voor d'r ogen weg.

    Ben ik eigenlijk wel links genoeg, Jan Blokker,

    Mijn vuist ging nogmaals naar de muur, ik haalde hem terug en bekeek wat de schade was, drie van de vijf knokkels waren open en bloedden.

    http://s3.invisionfree.com/WeWriteBoard/ar/t347.htm,

    Het begint met pijn in een knokkel of in een ander gewricht. Daarna krijg je koorts en ziet je huid eruit alsof je mazelen hebt. Daar hoef je je niet druk over te maken, want na een kleine week ben je weer de oude. Je hebt dan geleden aan een besmettelijke tropische ziekte die veel namen heeft: knokkelkoorts, vijfdaagse koorts, dadelziekte. En dan is er nog de oorspronkelijke en nog altijd gangbare benaming: denguekoorts. "Dengue'' is afgeleid van het Swahili-woord dinga, maar wie weet dat?

    De Standaard,

    Combinatiemogelijkheden


    als subject bij een werkwoord


    • wit worden
    • wit uitslaan
    • wit wegtrekken
    • wit zien

    Ze hield zich vast aan de spijlen van haar bed. De knokkels van haar handen werden wit, maar ze gaf het niet op.

    Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel, Yvonne Keuls,

    Van Straten klemde haar vingers zo vast in elkaar dat de knokkels wit werden.

    De val, Marga Minco,

    Ik heb me aan mijn bed vastgeklemd dat mijn knokkels wit zagen en het hielp.

    Een soort Engeland, Robert Anker,

    De knokkels van zijn vingers sloegen wit uit toen hij zijn vuisten balde.

    Het overspelige gras, Louis Ferron,

    Haar knokkels trokken wit weg en de aders op haar hand kleurden purper.

    De vijfde macht, Pieter Aspe,

    Hij zag dat haar knokkels wit van het knijpen waren.

    Een hete ijssalon, Heere Heeresma,

    met adjectief ervoor


    • geschaafde knokkels
    • witte knokkels

    Ik had zijn hand willen pakken, maar die klemde zich vast aan de tafelrand, witte knokkels.

    Quissama, F. Springer,

    Rotte avonden waren dat, niet zelden liepen ze uit op een vechtpartij om niets en dan moest Kees de volgende dag op zijn werk de pijn verbijten in zijn geschaafde knokkels of beurse lip.

    't Is zo weer nacht, Joyce Roodnat,

    En ik heb Pap inderdaad nooit van een vechtpartij in een café zien wegkomen met meer dan een paar geschaafde knokkels van het gebroken gebit van een of andere stakker.

    Cherry, Mary Karr,

    in voorzetselgroep


    • met zijn knokkels op iets beuken
    • met zijn knokkels op iets kloppen
    • met zijn knokkels op iets roffelen
    • met zijn knokkels op iets slaan
    • met zijn knokkels op iets timmeren
    • op zijn knokkels bijten
    • met zijn knokkels tegen iets slaan

    Met mijn knokkels klopte ik driemaal op het glas en wachtte.

    Morgenster, Jaap Scholten,

    Ze sloeg met haar knokkels op haar eigen tafel.

    Het verkeerde keelgat, Diane Broeckhoven,

    Zo hard als ze kon beet ze op haar knokkels.

    De kinderen van Arthur, Kristien Hemmerechts,

    Hij beukte met zijn knokkels op de tafel en zei: 'Baels is een foutparkeerder!'

    Verborgen schade, Aster Berkhof,

    Met zijn knokkels roffelde hij een pittig marsje op zijn bureau.

    De Zonnewijzer, Maarten 't Hart,

    Toen het kleine meisje in haar tirolerjurkje in het ravijn viel en daar van iedereen verlaten in het onguur gebergte met de titanische wolken om haar mutti kermde beet papa verwoed op zijn knokkels.

    Het verdriet van België, Hugo Claus,

    Als het te pijnlijk werd, mocht ik met m'n knokkels op de tafel timmeren.

    Dag en Nacht, Emile Pérez,

    Ik sloeg met mijn knokkels tegen het raampje en toen snelde ik, mijn longen uit mijn lijf schreeuwend, naar de voordeur.

    De gelukkige, Mensje van Keulen,

    Ik sloeg met mijn knokkels tegen de deur.

    Het schot, Hilbert Kuik,

    Vaste verbindingen


    iemand op de knokkels tikken, slaan, kloppen; iemand een tik op zijn knokkels geven


    1. iemand met een voorwerp bij wijze van straf op de knokkels of vingers tikken

      Bryan zei: 'Laat mij eens zien,' en probeerde het pakketje te pakken, maar Ted gaf hem met een lepel een tik op zijn knokkels.

      Alle families zijn psychotisch, Douglas Coupland,

    Woordfamilie


    Als rechterlid in samenstellingen en samenkoppelingen


    • vingerknokkel

    Als linkerlid in samenstellingen en samenkoppelingen