mokkel


mokkel 1.0

(zeer informeel. Vaak, maar niet noodzakelijk pejoratief.)

vrouw; meisje; poezelige meid; lekkere meid

Semagram


Een mokkel…

is een vrouw; is een persoon

  • [Uiterlijk] is al of niet een mollige, poezelige vrouw; heeft een uiterlijk dat de zinnen prikkelt

    Algemene voorbeelden


    Het was zo'n vreemde wereld, die wereld van mijn jeugd; een jongen zoals ik werd er aangeduid als een 'gassie'; een agent noemde men een 'juut'. De gehuwde vrouw die je herkennen kon aan het feit dat zij altijd een schort droeg, werd 'juffrouw' genoemd. Een wufte vrouw heette een 'mokkel'.

    Het woeden der gehele wereld, Maarten 't Hart,

    De meiden op school, zo rijp als vallende abrikozen, grote mokkels met dikke tieten, onrustig draaiend.

    De Hunnen. Dl. 3: Vrede, Jan Cremer,

    Hans zei mager mokkel tegen me, zodat ik voelde dat ik niet goed was, dat ik anders had moeten zijn (hoe?) om bij hem in de smaak te vallen.

    Het wil nog maar niet zomeren, Hannes Meinkema,

    Van die mannen die geen succes hebben met vrouwen en denken: 'dan in godsnaam maar een dik mokkel'.

    Algemeen Dagblad,

    'Is dat die kerel die met het mooiste mokkel van Brugge samenhokt?'

    De vijfde macht, Pieter Aspe,

    Woordfamilie


    Als deel van een afleiding


    • mokkeltje