stommerd


stommerd 1.0

iemand die stom is; stom persoon; stommeling
Ook gebruikt als scheldwoord.

Semagram


Een stommerd…

is een persoon

  • [Eigenschap of hoedanigheid algemeen] is stom; wordt stom gevonden

    Algemene voorbeelden


    Casper zette het glas naast hem in het gras. Hij had het nog niet neergezet of Lucas stootte het om. 'Stommerd,' zei Ymke.

    Engelen van het duister, Jan Siebelink,

    Ik had bedacht dat ik een sjieke dame was en die andere stommerds waren tuinman of chauffeur, of agent of brandweerman; allemaal ondergeschikte mannenrollen en een slimme vrouw speelt dan toch de baas.

    Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel, Yvonne Keuls,

    Ze houdt er niet van om in de nabijheid van mensen te zijn die ze niet kent, ze heeft het idee dat iedereen haar maar een stommerd vindt en dat zij haar achter haar rug om uitlachen.

    http://home.wish.net/~homeopat/inhoud-2.htm

    Vroeger op school al had ik vaak ruzie. 'Kun je niet uitkijken waar je loopt stommerd' was een veelgehoorde kreet, of: 'Zit niet in mijn nek te blazen viezerd'.

    http://www.passie.nl/

    Woordfamilie


    Als deel van een afleiding


    • stommerdje