teut


teut 1.0

(informeel)

onder invloed van drank; dronken; aangeschoten

Algemene voorbeelden


'Mijn moeder dacht dat ik de neus van mijn grootvader had, maar die had hem van de drank. Ik begin trouwens teut te worden.' Hij schenkt de glazen nog maar eens vol, de fles is nu op een bodempje na leeg.

Buiten is het maandag, J. Bernlef,

Zaterdagavond zijn we met z'n allen uit eten gegaan, we hebben 'm toen nogal flink geraakt, ik heb d'r thuis gebracht want ze was veel te dronken om nog te kunnen rijden. Eerlijk gezegd zat ik zelf ook aardig teut achter 't stuur.

De zonnewijzer, Maarten 't Hart,

Dikke Olly was een beetje teut. Ze noemde de namen van straten en winkels waar we langs kwamen, viel in slaap, werd na een paar minuten weer wakker, pakte toen de commandobuis van de haak en begon in slecht Duits een lied te zingen.

De meidenziekte, Tom Pauka,