troela


troela 1.0

(zeer informeel)

lompe, truttige of onnozele vrouw; trien; trut

Semagram


Een troela…

is een vrouw; is een persoon; is een levend wezen

      Hoofdsemagram: trien


      Algemene voorbeelden


      Hij [...] zei tot mijn verbijsterde mama: gij triestige truttige troela, zijt ge niet beschaamd? Ik ben beschaamd in uw plaats. Voor één keer dat er u iemand gaarne ziet, ge zoudt op blote knieën die mens om vergiffenis moeten vragen, ja, gij die boekjes leest en films ziet over liefde en dan schreit van aandoening, gij hebt het hier onder uw snotneus en ge wilt het niet erkennen, blinde geit.

      Het verdriet van België, Hugo Claus,

      'Waarom heb jij trouwens een gsm nodig, vette merrie? Wie wil jou ooit bellen!?' 'Ja, wie!?' riep Mieke. Vera begon te huilen. Ik zou me haasten om haar in m'n armen te klemmen, dat stinkende blubberzwijn. Hoe zo iemand zo'n lekker dier als Mieke tot dochter kon hebben, het is me een raadsel. Wat een spuuglelijke troela.

      De droogte, Herman Brusselmans,

      troela 2.0

      (informeel, weinig gebruikt)

      overdreven en onterechte drukte; ophef

      Semagram


      Troela…

      is een geheel van handelingen

          Hoofdsemagram: 1.0 -


          Combinatiemogelijkheden


          als object bij een werkwoord


          • troela maken rond iets

          De bevalling was complex en moeilijk: stuitligging en zo? Ach ja, dat soort bevallingen is er elke dag! Alleen bij een koningskind wordt daar troela rond gemaakt.

          http://users.pandora.be/tony.vandenborn/KWAL.HTM