wedstrijdseizoen


wedstrijdseizoen 1.0

(sport)

jaarlijks terugkerende periode die bestemd is voor de wedstrijden van zekere sportdiscipline; deel van het jaar waarin de competities van een sport zijn gepland

Semagram


Een wedstrijdseizoen…

is een seizoen; is een periode; is een tijd

  • [Handelende persoon] wordt benut door sportlui en atleten
  • [Object betroffen] heeft betrekking op de wedstrijden van een sportdiscipline

    Hoofdsemagram: seizoen


    Algemene voorbeelden


    We trainen zes maanden per jaar, maar daarvoor moet je weg van huis, de sneeuw opzoeken. We starten begin juni, trainen tot november. Het wedstrijdseizoen loopt tot einde maart. Wij zijn ieder weekend in het getouw. Dat is het mooie aan de skicompetitie.

    De Standaard,

    Voor elke tennisser in Nederland bestaat de mogelijkheid om zich sportmedisch te laten keuren, om zodoende goed voorbereid aan de competitie en het wedstrijdseizoen te beginnen.

    http://www.tennisdeleyhorst.nl/home1.htm

    Combinatiemogelijkheden


    met adjectief ervoor


    • het internationale wedstrijdseizoen
    • het nieuwe wedstrijdseizoen

    De jaarlijkse Plenary Meeting te Lausanne vindt eind maart plaats, dus tijdig voor het komende internationale wedstrijdseizoen.

    http://www.modelvliegsport.nl/service/ciam.htm,

    Het zesde Hondsrugtoernooi luidde het nieuwe wedstrijdseizoen in. In sporthal De Goorns in Gieten namen ruim 300 judoka's deel en streden op een goed niveau om de hoogste eer.

    Meppeler Courant,

    met adjectivisch voltooid deelwoord


    • een geslaagd wedstrijdseizoen

    Ze dansten de laatste wedstrijd erg sterk. Zowel bij de Ballrrom als de Latijns Americaanse dansen, werden ze derde. Een geslaagd wedstrijdseizoen zit er op.

    Meppeler Courant,