zeeziek


zeeziek 1.0

ziek, misselijk door het schommelen en slingeren van een schip dat op zee vaart

Algemene voorbeelden


Lang geleden had ik, bij windkracht negen, ook zo aan dek gestaan van de Harwichboot en was ik, steeds maar nauwlettend die golven bespiedend, niet zeeziek geworden. Maar dit kleine zeilschip bewoog veel heftiger, voegde bij de op- en neergaande beweging ook nog rollende, nukkige slingeringen in de dwarsrichting.

Ongewenste zeereis, Maarten ’t Hart,

Ik kotste zowat m'n longen uit, zo zeeziek was ik geworden, ik had nog nooit gevaren, nog nooit van m'n leven zelfs maar in een kano op het kanaal gezeten, ik denk ik laat die terugreis mooi schieten, ze krijgen mij die rotboot niet meer op, zegt m'n maat dan blijf ik ook maar aan deze kant.

De Hunnen. Dl. 2: Bevrijding, Jan Cremer,

Woordfamilie


Als deel van een afleiding


  • zeezieke

zeeziek 1.1

algemeen ook zonder dat sprake is van een boottocht op zee: misselijk; onpasselijk; beroerd; naar

Betekenisbetrekking


generalisering
Betrokken betekenissen1.0 : 1.1

Algemene voorbeelden


Bij het doek van Titiaan boven het hoofdaltaar wond ze zich nog meer op... 'Ik word zeeziek van dat blauw en krijg een indigestie van het rood. Hier wordt Titiaan vermoord.'

Mise-en-scène, Axel Bouts,