kwade


kwade 1.0

iemand die kwaad doet; iemand die boosaardig is; slechterik
Vaak in het meervoud, vooral in tegenstelling tot de goeden.

Semagram (extra betekenisinformatie)


Een kwade…

is een persoon

  • [Eigenschap of hoedanigheid algemeen] doet kwaad; is boosaardig; is kwaadaardig

    Algemene voorbeelden


    'Daar is die deugniet weer,' zei hij, 'de schobber, banden doorsteken dat kan ie, maar de kwade zal geen beloning hebben, Spreuken twee, vers veertien.'

    Een weekend in Oostende, Willem Brakman,

    Alle nuances worden bijna dwangmatig vermeden - de goeden, wij, zijn voortreffelijk, de kwaden, zij, zijn verderfelijk.

    NRC,

    Kan de burger-consument niet zélf bepalen op wie hij een beroep wil doen? Zal de markt niet vanzelf de goeden van de kwaden scheiden?

    De Standaard,

    Combinatiemogelijkheden


    als object bij een werkwoord


    • de kwaden straffen

    De goeden worden beloond, de kwaden gestraft - maar niet te erg.

    Meppeler Courant,

    Vaste verbindingen