waffel


waffel 1.0

(zeer informeel)

mond; vooral in toepassing op een grote, brutale mond

Vaste verbindingen


zijn waffel houden


  1. zwijgen

    Synoniem: zijn mond houden

    Volgens mij is 't een nicht, dacht Amsterdamse tante Nel, maar laat ik in godsnaam mijn waffel houden.

    Bulgaar in Wassenaar, Michael Eenhoorn,

zijn waffel opendoen


  1. iets zeggen; praten

    'Niemand die tegenwoordig nog voegen wil, 't zou echt wat voor jou zijn, je smeert die richels dicht, en daar hoef je je waffel niet bij open te doen.'

    De zonnewijzer, Maarten 't Hart,

Hou je waffel!


  1. Zwijg!

    Synoniem: Hou je mond!

    'Hou je waffel, Marie,' riep Toon fel, 'dat zijn jouw zaken niet.'

    De Cock en de dode harlekijn, Appie Baantjer,

Waffel dicht!


  1. Zwijg!

    Synoniem: Mond dicht!

    Hij boog zich naar Stiller. 'Jij denkt dat je Zamor in dienst hebt. Dat is een vergissing. Dat is het de hele tijd geweest. Zamor werkt voor mij, al jaren. Niet doen, waffel dicht, luisteren.' Zijn stem was scherper geworden, krachtiger.

    De vrouwenoppasser, Peter de Zwaan,

een grote waffel


  1. een grote, brutale mond

    Bloemendaal heeft al vele jaren de naam spelers te hebben die het de arbitrage moeilijk maken. "We zijn mannetjes met een grote waffel", bekende verdediger Moolenburgh. "We moeten gewoon beter leren tot drie te tellen."

    NRC,

zo'n waffel hebben


  1. een grote, brutale mond hebben

    'Zij zijn zelf zo pietluttig.' 'O ja,' zei ik. 'Je mag bij voorbeeld niet met je boot tegen hun beschoeiing aan komen en als er een bal in hun tuin valt dan hebben ze zo'n waffel. Zulke mensen, weet je wat ik bedoel?'

    De meidenziekte, Tom Pauka,