trien


trien 1.0

(zeer informeel, pejoratief)

lompe, truttige, of onnozele vrouw

Semagram


Een trien…

is een vrouw; is een persoon; is een levend wezen

  • [Eigenschap of hoedanigheid algemeen] is lomp, truttig, of onnozel

    Algemene voorbeelden


    Iedereen zegt dat je stinkt. Iedereen vindt jou een koe. Een trien. Een trut.

    Alle verhalen, Kristien Hemmerechts,

    Combinatiemogelijkheden


    met adjectief ervoor


    • een plompe trien
    • een stomme trien
    • een zotte trien

    Hij is van het soort dat altijd bereid is te helpen [...]. Typisch een Fransman uit het zuiden [...]. Rauw in zijn humor, maar toch ook weer een straalkachel charme. In zijn hoffelijkheid uiterst zakelijk, want als hij zag dat zo'n plompe trien speciaal naar de kapper was geweest [...] of eens een blote jurk op de ouwe rug probeerde, dan kwam er onmiddellijk een ober aangerend met een half flesje rooie champagne. Als geste! Van Laurent persoonlijk.

    Dovemansoren, Rinus Ferdinandusse,

    Wat kwam die stomme trien eigenlijk wel vertellen? Waar kwam dat ellendig mens vandaan? Vast iemand die een beetje tureluurs geworden was van zijn bevallige verschijning en zich op deze manier probeerde met hem af te zonderen. Dat laatste was haar dan gelukt maar veel verder zou ze niet komen [...]. Hem zo op deze manier misbruiken, daar kon hij niet tegen. Lars voelde zich gemanipuleerd en verward.

    Oud zeer, Mieke Gossaert-Verschuere,

    Woordfamilie


    Als rechterlid in samenstellingen en samenkoppelingen


    • boerentrien
    • giecheltrien
    • tettertrien
    • zemeltrien